Rapport VIN, deel 4: de misleidende en verouderde cijfers ontmaskerd. 

Vandaag zijn we alweer bij deel 4 aanbelandt van het rapport van varkens in Nood.

We beginnen vandaag met streptococcen infectie.

In de varkensindustrie zorgt de bacterie echter voor grote schade, omdat de omstandigheden waarin de varkens leven gunstig zijn voor de bacterie en ongunstig voor de weerstand van de varkens. Streptokokken komen via huidwonden en via de darm het lichaam binnen. Vrijwel alle jonge biggen hebben huidwonden, bijvoorbeeld doordat bij 99% van de biggen de staartjes worden afgebrand of geknipt. Vecht- en bijtwondjes door competitie om de beste spenen komen ook veelvuldig voor, alsook huidbeschadigingen door ruwe vloeren. Gespeende biggen hebben ook vaak darmproblemen, waardoor streptokokken gemakkelijk de bloedbaan kunnen binnendringen. Als de bacteriën eenmaal in de bloedbaan zitten, verspreiden ze zich eenvoudig door het lichaam, met name naar de gewrichten en de hersenen.

De gd monitor geeft echter aan dat deze bacterie normaal zich in de voorste luchtwegen, geslachtsapparaat en in het darmkanaal bevindt. En dat de belangrijkste reden tot overdracht van streptococcen via neus tot neus contact door de varkens zelf gebeurd, alsmede door contact met mens, muis, vlieg etc. Bovendien meldt de gd monitor dat erg belangrijk is dat de big voldoende biest met antistoffen krijgt. Dit stuk is varkens in nood voor het "gemak" maar even vergeten. Ze komen vervolgens met een percentage van naar schatting 1% van de biggen die uiteindelijk sterft aan streptokokkeninfecties.

Volgens Wageningse onderzoekers heeft 1% van de dieren bijtwonden en nog eens 1% bijtpunten. Dat betekent dat zo'n 600.000 varkens per jaar aangevreten staarten hebben. De mate van aantasting van de staart verschilt erg per bedrijf. Op probleembedrijven kan wel 50% van de varkens aangetast zijn. Uit recent onderzoek met varkens met intacte staarten bij het praktijkbedrijf van WUR in Sterksel kwam naar voren dat 18% van de dieren aangetaste staarten had.150 Oorbijten komt nog meer voor dan staartbijten. In een recente pilot van onderzoekers uit Wageningen in samenwerking met de NVWA kwam oorbijten in 10,4% van de vleesvarkenshokken voor en staartbijten in 6,6% van de onderzochte hokken. Bij biggen kwam staartbijten in 3,4% van de onderzochte hokken voor en oorbijten in 13,5%. Uitgaande van 600.000 met aangevreten staarten, lijden er dus op jaarbasis dus meer dan 1 miljoen varkens aan oorbijten.

Ook hier zien we wederom de enorm verouderde bronnen tot zelfs 1976 naar voren komen. Wanneer we kijken naar het onderzoek van Wur dan spreken zij inderdaad over ongeveer 1% aan staartbijten en 1% bijtpuntjes. De andere onderzoeken waar zij vervolgens cijfers vandaan halen, komen van diverse pilots waarbij gekeken wordt onder andere qua stalklimaat, qua verschillende soorten voeding, verschillende soorten afleidingsmateriaal etc wat nu precies het staartbijten veroorzaakt en waar verergering of verbetering optreedt. Dat is niet representatief wanneer je gaat praten over de daadwerkelijke uitvoering in de praktijk.


Staphylococcus hyicus komt wereldwijd voor en is op vrijwel alle bedrijven aanwezig. Hoeveel biggen in Nederland smeerwrang krijgen is niet bekend. Soms worden op een bedrijf maar enkele biggen ziek, maar op probleembedrijven kan wel 80% van de biggengroep geïnfecteerd raken. 

Onze bron en meerdere bronnen van Varkens in Nood vermelden dat het vaak gaat om 1 of enkele biggen welke worden aangetast door smeerwrang. Ook hier is het gooien met een ergens gelezen hoog percentage want er zijn geen actuele cijfers die precies vermelden hoe vaak of hoe veel dit voorkomt. Bijna alle bronnen spreken echter over 1 tot enkele biggen.

Er is weinig onderzoek gedaan naar het percentage varkens dat lijdt aan ontstoken of geïrriteerde ogen. Wel blijkt uit recent pilotonderzoek van de WUR dat in 7,5% van de biggenstallen en 21,3% van de vleesvarkenstallen de grenswaarde met betrekking tot rode ogen overschreden werd.

Het hele verhaal over de rode en ontstoken ogen kunnen we eigenlijk direct aan de hand van het onderzoek van WUR al direct weerleggen. Het is een zeer interessant onderzoek en zij besluiten met de volgende conclusie:

Wur: Een in alle opzichten wetenschappelijk verantwoorde validatiestudie is dit echter niet. Daarvoor is empirisch onderzoek nodig waarbij varkens van diverse leeftijden worden blootgesteld aan uiteenlopende klimaatcondities, dier- en omgevingsgerichte waarnemingen worden uitgevoerd en de specificiteit en de sensitiviteit van indicatoren wordt geanalyseerd. Binnen de kaders van dit onderzoek was dit niet mogelijk.

In gewone mensentaal. Het is dus nog niet mogelijk duidelijke oorzaken-verbanden en conclusies te verbinden aan het onderzoek en de indicatoren binnen het onderzoek. Het is een basis om risico stallen te herkennen, maar verder kunnen we er nog niks mee. Grappig is wel dat wij het eerder gehad hebben over longontstekingen en pleuritis en dat ook dit onderzoek met een percentage van respectievelijk 10% en 3% komt in plaats van de 50% longontsteking en 40% pleuritis die Varkens in Nood in hun rapport vermeldde. Blijkbaar was dit onderzoek toen niet belangrijk en is het alleen belangrijk wanneer je er hogere cijfers uit kunt halen.

Conclusie:

We hebben inmiddels meerdere delen over het rapport geschreven. Wat ons opvalt is dat veel gegevens gebaseerd worden op zeer verouderde bronnen. Met uitschieters uit 1976 zijn veel van hun bronnen 10 jaar of ouder. Terwijl recentere gegevens beschikbaar zijn. Ook wordt eigenlijk standaard alles in verband gebracht met de manier van houden, vaak worden oorzaken weggelaten wanneer zij niks met de wijze van houden te maken hebben en wordt ook verzwegen dat bij biologisch houden of het houden op stro bijvoorbeeld grotere afwijkingen kent als de huidige gangbare varkenshouderij. Zo worden bepaalde kreupelheden onder bepaalde groepen meer gezien bij het houden op stro, osteochondrose komt meer voor bij varkens met een uitloop, het doodliggen van biggen wordt met 10% verhoogt in de biologische houderij en ook bepaalde worminfecties (volgende deel gaan we hier dieper op in) zijn in de biologische houderij hoger. Wij kunnen al wel concluderen dat dit rapport op zijn minst als misleidend kan worden gezien.


bronnen:
https://www.gddiergezondheid.nl/diergezondheid/dierziekten/streptococcus-suis
https://dierenhospitaal-visdonk.nl/wp-content/uploads/2017/10/Visdonk-Smeerwrang.pdf
https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/402570
https://edepot.wur.nl/373711
https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/402570
https://edepot.wur.nl/190225https://edepot.wur.nl/409283